Thank you for replying to my compact online research about Banking 2.0
I have received 20 something completed questionnaires.
While not large enough a reference group to be scientific, and not representative of the ‘average person’ having been posted in Banking groups on LinkedIn and my personal network the results have giving me some insight into how people perceive the service of banks, what they would like to see improved and what industries banking should be looking at for inspiration.
There is a lot to improve for banks:
• The way that the different channels speak to me in a single voice 90%
• The current level of integration between online, bank app, cash machine and branch 70%
• The level of service my bank offers me 70%
• The level of control my bank offers me over my spending
• Te level of information my bank offers me
However on average 15% of you would switch because of those issues. I think the answer for the lack of improvement is right their. Consumers are not likely to switch banks. At least for now….
Thank you for your time and input!
Michiel Jansen Michielleendert@gmail.com
p.s. the screendumps are a bit rough but exporting in SurveyMonkey is time consuming and costly so I opted for the screens.
What would be a great improvement in service for banks? Offer
What industry should banks use as an example to improve their service?
What do you think is keeping banks from improving the customer experience?
If you could tell your bank to improve one customer experience soon, what would that be?
What would be second?
Marketing & Meer - Artikelen verzameld door Michiel Jansen
Dit is een online knipselkrant van artikelen die ik de moeite waard vind. Zie http://nl.linkedin.com/in/mljansen voor meer info.
maandag 13 februari 2012
maandag 23 januari 2012
Tablet geliefd, maar vergeet de webwinkel-app
Tablet geliefd, maar vergeet de webwinkel-app
Pagina toolsPrint dit artikel
Doorsturen
Deel
Reageer
NIEUWS - 19 januari 201207:11Jan Libbenga
Gerelateerd aan: Apps
IDC
Ipad
Tablets
Webwinkels
Nooit eerder hebben zoveel consumenten de tablet gebruikt voor aankopen met kerst. Maar voor een webwinkel-app bestaat geen belangstelling.
Bijna negentig procent van tabletgebruikers hebben hun apparaat gebruikt voor aankopen met kerst, maar slechts vier procent heeft behoefte aan een mobiele app.
Marketingbedrijf Zmags ondervroeg 1500 consumenten naar het gebruik van tablet. Daaruit blijkt dat kopen via de tablet nog niet echt ingeburgerd is. Een belangrijk deel koopt nog het liefst via pc’s en laptops. De mobiele telefoon doet het als koopplatform al minder (14 procent van de ondervraagden) en slechts 9 procent geeft aan een tablet te prefereren.
Tabletgebruikers hebben hun apparaat wel veel gebruikt voor aankopen. De meesten gebruikten hun tablets voor de aanschaf van gadgets (53 procent), gevolgd door speelgoed (39) en kleding (39). Zo’n 43 procent spendeerde meer dan 300 dollar.
Overigens neemt het gebruik van tablets als vervanger van de notebook wel steeds meer toe. Een op de tien zakelijke gebruikers van de iPad gebruikt nauwelijks nog een laptop, zo blijkt uit een studie van IDG Connect. De iPad wordt niet gezien als een vervanging van de desktop.
Pagina toolsPrint dit artikel
Doorsturen
Deel
Reageer
NIEUWS - 19 januari 201207:11Jan Libbenga
Gerelateerd aan: Apps
IDC
Ipad
Tablets
Webwinkels
Nooit eerder hebben zoveel consumenten de tablet gebruikt voor aankopen met kerst. Maar voor een webwinkel-app bestaat geen belangstelling.
Bijna negentig procent van tabletgebruikers hebben hun apparaat gebruikt voor aankopen met kerst, maar slechts vier procent heeft behoefte aan een mobiele app.
Marketingbedrijf Zmags ondervroeg 1500 consumenten naar het gebruik van tablet. Daaruit blijkt dat kopen via de tablet nog niet echt ingeburgerd is. Een belangrijk deel koopt nog het liefst via pc’s en laptops. De mobiele telefoon doet het als koopplatform al minder (14 procent van de ondervraagden) en slechts 9 procent geeft aan een tablet te prefereren.
Tabletgebruikers hebben hun apparaat wel veel gebruikt voor aankopen. De meesten gebruikten hun tablets voor de aanschaf van gadgets (53 procent), gevolgd door speelgoed (39) en kleding (39). Zo’n 43 procent spendeerde meer dan 300 dollar.
Overigens neemt het gebruik van tablets als vervanger van de notebook wel steeds meer toe. Een op de tien zakelijke gebruikers van de iPad gebruikt nauwelijks nog een laptop, zo blijkt uit een studie van IDG Connect. De iPad wordt niet gezien als een vervanging van de desktop.
maandag 11 juli 2011
'Aandacht voor de klant belangrijker dan productieproces'
Laatste update: 10 juli 2011 12:52 info
AMSTERDAM – Vergeet de verschillende productieprocessen en zakenmodellen. Het gaat helemaal niet meer om het beste productieproces.
Het gaat om aandacht voor de klant. Dit verklaart marketingadviseur Jim Stolze in zijn nieuwe boek Uitverkocht!. “Aandacht is de valuta van de nieuwe economie.”
Volgens Stolze zien sommige bedrijven niet dat de economie is getransformeerd van een producteconomie naar een aandachtseconomie. Enkel een goed product met een gestroomlijnd productieproces is niet meer genoeg om echt succesvol te zijn.
“Heel veel bedrijven zijn zo goed geworden in wat ze doen, dat ze zich niet meer concentreren op wat belangrijk is: aandacht voor de klant”, verklaart Stolze tegenover NUzakelijk.nl.
“Je toekomstig verkoopsucces hangt af van de aandacht die je verdient.” De schrijver heeft het expres over verdienen en niet over kopen. Het inkopen van zendtijd of advertentieruimte in een krant is niet meer genoeg om de aandacht van de consument te krijgen.
Helemaal gek
Als je van mensen aandacht vraagt, is het gewoon spam, volgens de marketeer. Stolze noemt een voorbeeld van hoe het niet moet: “Ik was onlangs naar een toilet waar zo’n lcd-paneel hing met cheaptickets.nl er op. Ik werd helemaal gek van dat ding.”
Een ander voorbeeld: T-mobile. “T-Mobile dacht jarenlang dat ze in de telecombusiness zaten. Bij deze: welkom in de aandachtseconomie. Ik kom regelmatig bij lezingen nog bedrijven tegen die denken dat ze nog in bijvoorbeeld de verzekeringsbranche zitten. Als ik dan begin te vertellen, zie je meestal het kwartje wel vallen.”
Eten missen
Een voorbeeld van een bedrijf dat het beter doet is de Amerikaanse online schoenenverkoper Zappos.com. “Naar eigen zeggen verkopen ze helemaal geen schoenen, maar service. Ze zijn bijvoorbeeld blij als je belt met een klacht.”
Stolze vertelt over een klant die rond 6 uur 's middags belde en tegen de medewerker van Zappos verklaarde dat hij nu ook nog eens zijn eten miste. Daarop werd de klant een gratis pizza toegestuurd. De klant twitterde dat en de tweet werd overgenomen door 50.000 andere twitteraars.
Paarse koe
De aandachtseconomie heeft een aantal facetten. Aan de ene kant gaat het om aandacht trekken van de klant. De zogenaamde paarse koe zijn en erg opvallen. Aan de andere kant gaat het om aandacht besteden aan de klant.
Stolze schrijft bijvoorbeeld over het klantenbeleid bij het Ritz-hotel in New York. Elke portier daar heeft een budget van 2000 euro om aan elke klant uit te geven. Bijvoorbeeld om een nieuw pak voor een gast te kopen.
Social media
Een belangrijk element in de aandachtseconomie is de rol van het internet. “Vroeger had je ook wel word-of-mouth. Bij de koffiezetapparaat bijvoorbeeld, maar nu gaat het veel sneller. Social media laat dingen veel sneller gaan en groter worden.”
Stolze schrijft over een aantal strategieën die van belang kunnen zijn voor de ondernemers. Bijvoorbeeld schaarste of het delen van producten. De marketeer maakt zelf gebruik van beide strategieën.
Gratis reclame
Stolze heeft harde afspraken gemaakt met zijn uitgever over bijvoorbeeld reclame. Er worden geen advertenties geplaatst voor het boek. De schrijver heeft zelf boeken weggegeven aan mensen waarvan hij dacht dat die het interessant zouden vinden. Deze twitterden over het boek wat weer zorgde voor gratis reclame.
Verder betrekt Stolze lezers van zijn boek bij de productie van een e-book. “Ik heb de eerste honderd lezers van mijn boek op twitter gevraagd of ze mee willen denken over een digitale versie.” Stolze beredeneert dat hij nu niet alleen een beter e-book krijgt. “Je hebt er ook 100 ambassadeurs bij omdat ze zich allemaal co-auteur voelen.”
Uitverkocht! is onlangs verschenen bij uitgeverij AW Bruna.
AMSTERDAM – Vergeet de verschillende productieprocessen en zakenmodellen. Het gaat helemaal niet meer om het beste productieproces.
Het gaat om aandacht voor de klant. Dit verklaart marketingadviseur Jim Stolze in zijn nieuwe boek Uitverkocht!. “Aandacht is de valuta van de nieuwe economie.”
Volgens Stolze zien sommige bedrijven niet dat de economie is getransformeerd van een producteconomie naar een aandachtseconomie. Enkel een goed product met een gestroomlijnd productieproces is niet meer genoeg om echt succesvol te zijn.
“Heel veel bedrijven zijn zo goed geworden in wat ze doen, dat ze zich niet meer concentreren op wat belangrijk is: aandacht voor de klant”, verklaart Stolze tegenover NUzakelijk.nl.
“Je toekomstig verkoopsucces hangt af van de aandacht die je verdient.” De schrijver heeft het expres over verdienen en niet over kopen. Het inkopen van zendtijd of advertentieruimte in een krant is niet meer genoeg om de aandacht van de consument te krijgen.
Helemaal gek
Als je van mensen aandacht vraagt, is het gewoon spam, volgens de marketeer. Stolze noemt een voorbeeld van hoe het niet moet: “Ik was onlangs naar een toilet waar zo’n lcd-paneel hing met cheaptickets.nl er op. Ik werd helemaal gek van dat ding.”
Een ander voorbeeld: T-mobile. “T-Mobile dacht jarenlang dat ze in de telecombusiness zaten. Bij deze: welkom in de aandachtseconomie. Ik kom regelmatig bij lezingen nog bedrijven tegen die denken dat ze nog in bijvoorbeeld de verzekeringsbranche zitten. Als ik dan begin te vertellen, zie je meestal het kwartje wel vallen.”
Eten missen
Een voorbeeld van een bedrijf dat het beter doet is de Amerikaanse online schoenenverkoper Zappos.com. “Naar eigen zeggen verkopen ze helemaal geen schoenen, maar service. Ze zijn bijvoorbeeld blij als je belt met een klacht.”
Stolze vertelt over een klant die rond 6 uur 's middags belde en tegen de medewerker van Zappos verklaarde dat hij nu ook nog eens zijn eten miste. Daarop werd de klant een gratis pizza toegestuurd. De klant twitterde dat en de tweet werd overgenomen door 50.000 andere twitteraars.
Paarse koe
De aandachtseconomie heeft een aantal facetten. Aan de ene kant gaat het om aandacht trekken van de klant. De zogenaamde paarse koe zijn en erg opvallen. Aan de andere kant gaat het om aandacht besteden aan de klant.
Stolze schrijft bijvoorbeeld over het klantenbeleid bij het Ritz-hotel in New York. Elke portier daar heeft een budget van 2000 euro om aan elke klant uit te geven. Bijvoorbeeld om een nieuw pak voor een gast te kopen.
Social media
Een belangrijk element in de aandachtseconomie is de rol van het internet. “Vroeger had je ook wel word-of-mouth. Bij de koffiezetapparaat bijvoorbeeld, maar nu gaat het veel sneller. Social media laat dingen veel sneller gaan en groter worden.”
Stolze schrijft over een aantal strategieën die van belang kunnen zijn voor de ondernemers. Bijvoorbeeld schaarste of het delen van producten. De marketeer maakt zelf gebruik van beide strategieën.
Gratis reclame
Stolze heeft harde afspraken gemaakt met zijn uitgever over bijvoorbeeld reclame. Er worden geen advertenties geplaatst voor het boek. De schrijver heeft zelf boeken weggegeven aan mensen waarvan hij dacht dat die het interessant zouden vinden. Deze twitterden over het boek wat weer zorgde voor gratis reclame.
Verder betrekt Stolze lezers van zijn boek bij de productie van een e-book. “Ik heb de eerste honderd lezers van mijn boek op twitter gevraagd of ze mee willen denken over een digitale versie.” Stolze beredeneert dat hij nu niet alleen een beter e-book krijgt. “Je hebt er ook 100 ambassadeurs bij omdat ze zich allemaal co-auteur voelen.”
Uitverkocht! is onlangs verschenen bij uitgeverij AW Bruna.
maandag 6 juni 2011
13 jarige uitvinder: Deurbel laat bewoners deur beantwoorden zonder thuis te zijn
AMSTERDAM – Een 13-jarige jongen uit Engeland heeft een deurbel uitgevonden die inbrekers voor de gek moet houden als bewoners van huis zijn. Als er aangebeld wordt, kan de bewoner via een mobiele telefoon doen alsof hij of zij thuis is.
© Thinkstock
De deurbel, genaamd Smart Bell, heeft een ingebouwde SIM-kaart en maakt gebruik van techniek die ook voor normale mobiele telefoons wordt gebruikt.
Tien seconden na een druk op de deurbel wordt er een signaal naar de telefoon van de bewoner afgegeven. Via de telefoon staat de bezoeker zijn gast te woord die bij het huis staat.
Met hulp van ingebouwde geluidjes wordt de illusie gewekt dat de bewoner gewoon thuis is. Inbrekers bellen vaak eerst even aan om te kijken of iemand thuis is. Dankzij de Smart Bell worden ze hierdoor nu afgeschrikt.
Videogames
De jonge uitvinder van de Smart Bell, Laurence Rook, heeft al 20.000 eenheden verkocht aan telecomgigant Commtel Innovate en staat op het punt ook een deal te sluiten met ander, nog onbekend bedrijf voor 25.000 stuks.
De 13-jarige Rook zal dan 250.000 pond rijker zijn. "Dat zijn een hele hoop videogames," is zijn reactie in de Britse krant Daily Mail.
Bezorging
De uitvinding is in de eerste instantie gemaakt voor bezorgers van pakketjes. "Mijn moeder vond het vervelend dat er steeds pakketjes werden achtergelaten terwijl ze niet thuis was," legt Rook uit. Via de Smart Bell kan de bewoner nu instructies geven aan bezorgers wat te doen met het pakketje.
Rook zegt dat hij pas tijdens het maken van de deurbel zich realiseerde dat het ook geschikt is voor het afschrikken van inbrekers.
© Thinkstock
De deurbel, genaamd Smart Bell, heeft een ingebouwde SIM-kaart en maakt gebruik van techniek die ook voor normale mobiele telefoons wordt gebruikt.
Tien seconden na een druk op de deurbel wordt er een signaal naar de telefoon van de bewoner afgegeven. Via de telefoon staat de bezoeker zijn gast te woord die bij het huis staat.
Met hulp van ingebouwde geluidjes wordt de illusie gewekt dat de bewoner gewoon thuis is. Inbrekers bellen vaak eerst even aan om te kijken of iemand thuis is. Dankzij de Smart Bell worden ze hierdoor nu afgeschrikt.
Videogames
De jonge uitvinder van de Smart Bell, Laurence Rook, heeft al 20.000 eenheden verkocht aan telecomgigant Commtel Innovate en staat op het punt ook een deal te sluiten met ander, nog onbekend bedrijf voor 25.000 stuks.
De 13-jarige Rook zal dan 250.000 pond rijker zijn. "Dat zijn een hele hoop videogames," is zijn reactie in de Britse krant Daily Mail.
Bezorging
De uitvinding is in de eerste instantie gemaakt voor bezorgers van pakketjes. "Mijn moeder vond het vervelend dat er steeds pakketjes werden achtergelaten terwijl ze niet thuis was," legt Rook uit. Via de Smart Bell kan de bewoner nu instructies geven aan bezorgers wat te doen met het pakketje.
Rook zegt dat hij pas tijdens het maken van de deurbel zich realiseerde dat het ook geschikt is voor het afschrikken van inbrekers.
donderdag 19 mei 2011
geld investering
Pagina tools
NIEUWS - 18 mei 2011 15:05 Jannemiek Starkenburg
Gerelateerd aan:
Atomico Ventures
Online uitgeven
Silk
Startup
De startup Silk heeft een investeringsronde van 320.000 euro afgesloten. Naast enkele individuele investeerders, heeft ook Atomico Ventures, het investeringsfonds van Skype-oprichter Niklas Zennström, geld gestoken in de Nederlandse onderneming.
Met de startup, momenteel nog in beta, kan de gebruiker op een plek informatie van verschillende online bronnen makkelijk verzamelen, sorteren en doorzoeken. Silk presenteert de gevonden informatie vervolgens bijvoorbeeld weer op steekwoorden. Silk won eerder de Startup Rally op The Next Web conferentie, een plek waar startups hun ideeën voor publiek, pers en potentiele investeerders presenteren. Dat laatste lijkt gelukt te zijn, nu de eerste investeringsronde is afgesloten.
Het geld wordt gestoken in het op de markt brengen van het eigen product en de verdere ontwikkeling.
Naast Atomico Ventures staken ook onder meer Floris Rost van Tonningen, mede-oprichter van Hyves, Hans-Poul Veldhuyzen van Zanten, mede-eignaar van Free Media Group, Mark de Lange partner van Global Grid Capital en Han de Groot, oprichter van MetrixLab, geld in de startup.
Silk, volgens eigen zeggen een web 3.0-product, moet de gebruiker helpen de steeds groter wordende informatiestroom in het digitale tijdperk beter te structureren.
vrijdag 25 maart 2011
Wat organisaties met marketing en social media opbouwen, verliezen ze in contactcenter
Door Ellen de Lange-Ros van Faxion
Print op zondag 20 maart 2011 om 16:00 uur
Goede contacten met klanten worden steeds belangrijker in de transparante digitale wereld van vandaag. Veel organisaties investeren in moderne marketing en sociale media. Toch wordt het een essentieel deel van het klantcontact nog steeds vergeten en maken organisaties grote fouten. Wat er met marketing en social media wordt gewonnen aan klantloyaliteit, verdwijnt net zo hard weer in het contactcenter. Recent onderzoek van TOTE-M laat zien wat er mis gaat.
Negeren van je klant kan niet meer in een transparante wereld
Met de transparantie van internet is het voor organisaties niet langer mogelijk om klanten te negeren. Discussies over organisaties worden immers tegenwoordig transparant gevoerd en zijn voor iedereen zichtbaar. Doe je zaken niet goed, dat wacht er een Youp-gate als het om een bekende Nederlander aangaat, zo merkte T-Mobile. Maar ook niet BN-ers laten via sociale media en internet volop van zich horen. In marketing-theorie is dan ook volop aandacht voor zaken als klantgericht werken, oog voor de klant en customer experience. Maar hoe staat het er in de praktijk nou voor met dit gedachtegoed? Het jaarlijks onderzoek Performance Customer Interactions van TOTE-M dat afgelopen donderdag in Amsterdam werd gepresenteerd, laat een schokkende werkelijkheid zien, achter alle mooie theorie.
Een onafhankelijk oordeel
TOTE-M is een onafhankelijk managementadviesbureau op het gebied van customer management. Jaarlijks presenteren ze het benchmarkonderzoek Performance Customer Interactions, waarin Nnederlandse contactcenters tegen het licht worden gehouden. Er wordt met name vastgesteld hoe tevreden de opdrachtgevers zijn over hun contactcenter. Daarbij wordt gekeken of externe contactcenters die zijn geoutsourced het beter doen dan de zogenaamde interne ‘eigen’ contactcenters. Ook worden externe of facilitaire contactcenters onderling vergeleken.
Met alle ophef die door Youp van ‘t Hek is aangezwengeld de afgelopen maanden, zullen klantcontactverantwoordelijken in de branche veel geleerd hebben en de klant centraal stellen, toch? Helaas laat de huidige praktijk een onthutsend beeld zien.
De theorie is mooi
Rond de presentatie van het onderzoek vertelde een aantal sprekers over hun visie op het vak. Zo liet Patrick Lerou van Philips zien hoe zijn organisatie met de Net Promoter Score intern veel meer aandacht voor de klant wil krijgen. Lerou toonde met een aansprekende afbeelding dat een tevreden klant niet altijd loyaal hoeft te zijn.
Egbert Jan van Bel liet zien dat het tegenwoordig gaat om superbrands met een positieve dialoog door een enthousiaste community. Daarbij moet niet het gebruiken van social media centraal staan, maar het socialiseren met je klant. Zaken als service leadership, customer experience en sociale impact worden meer van belang dan de traditionele waardedisciplinesketen. Daarin staat immers te vaak operational excellence centraal en teveel focus op efficiëncy kan de doodsteek zijn voor klantgericht werken. Hoe fout dat kan gaan, toont het onderzoek van TOTE-M.
Sturen op ouderwetse KPI’s
Het onderzoek van TOTE-M, gepresenteerd door Katja van Wel, liet zien dat er steeds meer gebruik wordt gemaakt van key performance indicatoren als de gemiddelde behandeltijd en het aantal doorverbindingen. Dat zijn indicatoren die met name op efficiency zijn gericht.
Klant-KPI’s als klanttevredenheid, klantbeleving, net promoter score of een probleem in één keer goed oplossen worden veel minder ingezet. Terwijl dat juist de KPI’s zijn die er voor zorgen dat de klant centraal wordt gesteld in het contact center. Ook modernere KPI’s als de selfservice ratio (hoe goed ondersteunt een organisatie de klant bij het zelf oplossen van z’n probleem) wordt nog verbazend weinig gebruikt om op te sturen.
Het traditionele ‘service level’ (hoe snel wordt de telefoon opgenomen) is nog steeds een veelgebruikte kpi, omdat veel contactcenter hier nog steeds problemen mee hebben. Hoewel dit eigenlijk een hygiënefactor zou moeten zijn, hebben veel organisaties dit nog steeds niet op orde.
Het ideaalbeeld is helder
Er is sprake van sturen op schijn-efficiency, aldus Annemiek van Moorst, founding partner van TOTE-M. Sturen op gemiddelde afhandeltijd is uiteindelijk juist heel duur. Eigenlijk zijn alle contacten te beschouwen als een klacht of een fout. Haar ervaring is dat zeker 80% van alle contacten in vrijwel alle contactcenters vermeden kunnen worden door alles in een keer goed te doen (First Time Right). Gaat er dan iets mis dan moet dat in het eerste contact meteen goed opgelost worden (First Contact Resolution) om herhaalverkeer te voorkomen (10-25% van het verkeer!). In eerste instantie moet je op het web zaken zelf kunnen oplossen als klant. Kom je er niet uit – en dat betekent dat de content op de website niet goed is – dan bel je. Ben je een digibeet – dat zijn er steeds minder – bel je direct.
De medewerker is direct eigenaar van deze case om die tot een goed einde brengen. Meting van First Contact Resolution moet over de gehele keten. De case op het web – mislukte selfservice – en de oplossing van de medewerker aan de telefoon worden teruggekoppeld in de organisatie. Procesfouten, contentfouten en ontbrekende kennis worden aangepast. Organisaties kunnen veel besparen in contact centers en tegelijkertijd de klanttevredenheid en NPS enorm verhogen. Vermijd waardeloze ontmoetingen – de klant haat ze – door op de juiste KPI’s te sturen. Als je dit beheerst, ben je goed in Operational Excellence en kun je je richten op het creëren van waardevolle ontmoetingen van klanten met organisaties.
Te sterke focus op efficiency en kosten
Al met al toont het onderzoek dat er in de contactcenters fundamentele misstanden zijn. Organisaties sturen nog steeds op traditionele KPI’s en zijn vooral gericht op operational excellence en schijnefficiency. Dat komt mede doordat opdrachtgevers die hun call center uitbesteden deze tak van sport vooral als kostenpost zien, waar zo efficiënt mogelijk moet worden gewerkt. Maar ook inhuis is het contact center nog steeds de unit waar gemakkelijk te besparen valt en waar medewerkers onder een aparte goedkopere CAO werken.
Wel investeren in marketing en social media, maar niet in je klantcontact
Het is raar dat organisaties nog steeds zo traditioneel kijken. Aan de ene kant spendeert de marketingafdeling miljoenen aan het zenden van boodschappen naar klanten die steeds minder luisteren. Aan de andere kant mopperen klanten massaal op internet en sociale media over de slechte dienstverlening (zoals Youp van ‘t Hek).
Organisaties investeren wel in het tracken van de buzz op social media, maar investeren vrijwel niet in het voorkomen van negatieve buzz, door hun contact center op orde te krijgen. Nog steeds wordt het contactcenter gezien als kostenpost waar efficiency voorop staat. Daarmee lopen organisaties grote risico’s, want de aantallen contacten in de contactcenters zijn enorm, het kan gaan om honderdduizenden contacten met consumenten per week.
Geld verbranden in plaats van loyaliteit opbouwen
Het is verbazingwekkend om te zien dat de klant vooral machinematig en efficiënt wordt ‘verwerkt’ in het contactcenter, terwijl juist zo’n contactmoment de uitgelezen kans is om je onderscheiden en een echt warme band met je klant te realiseren. Nog weinig organisaties zien hun contactcenter als een plek waar loyaliteit van klanten kan worden gerealiseerd en waar je je kunt onderscheiden van de concurrent. Natuurlijk wordt het voorbeeld van Zappos aangehaald, die hierin wel bijzondere zaken neerzet. Helaas blijft de Nederlandse praktijk nog ver achter bij de inspirerende marketingtheorie van de sprekers. Er is duidelijk nog een wereld te winnen in de contactcenters, zo laat het onderzoek van TOTE-M zien.
Voorlopig lijken contactcenters de plek waar organisaties systematisch de goodwill van klanten verliezen die ze met marketing en sociale media zo hard hebben opgebouwd. Het is nu in organisaties dweilen met de kraan open, of het verbranden van zuurverdiend geld. Daar kun je razend druk mee zijn maar handig is het niet. Welke organisatie gaat die werkwijze doorbreken en stelt z’n klanten echt centraal, ook in het contactcenter? Het is te hopen dat het onderzoek in 2012 een meer rooskleurig beeld van de branche laat zien en dat er dan niet alleen inspirerende marketingtheorie is te horen, maar dat er ook praktijkvoorbeelden zijn van contactcenters die het wel goed aanpakken. Alleen dan wordt klantgericht werken écht praktijk.
Bron: Wat organisaties met marketing en social media opbouwen, verliezen ze in contactcenter - Frankwatching
Print op zondag 20 maart 2011 om 16:00 uur
Goede contacten met klanten worden steeds belangrijker in de transparante digitale wereld van vandaag. Veel organisaties investeren in moderne marketing en sociale media. Toch wordt het een essentieel deel van het klantcontact nog steeds vergeten en maken organisaties grote fouten. Wat er met marketing en social media wordt gewonnen aan klantloyaliteit, verdwijnt net zo hard weer in het contactcenter. Recent onderzoek van TOTE-M laat zien wat er mis gaat.
Negeren van je klant kan niet meer in een transparante wereld
Met de transparantie van internet is het voor organisaties niet langer mogelijk om klanten te negeren. Discussies over organisaties worden immers tegenwoordig transparant gevoerd en zijn voor iedereen zichtbaar. Doe je zaken niet goed, dat wacht er een Youp-gate als het om een bekende Nederlander aangaat, zo merkte T-Mobile. Maar ook niet BN-ers laten via sociale media en internet volop van zich horen. In marketing-theorie is dan ook volop aandacht voor zaken als klantgericht werken, oog voor de klant en customer experience. Maar hoe staat het er in de praktijk nou voor met dit gedachtegoed? Het jaarlijks onderzoek Performance Customer Interactions van TOTE-M dat afgelopen donderdag in Amsterdam werd gepresenteerd, laat een schokkende werkelijkheid zien, achter alle mooie theorie.
Een onafhankelijk oordeel
TOTE-M is een onafhankelijk managementadviesbureau op het gebied van customer management. Jaarlijks presenteren ze het benchmarkonderzoek Performance Customer Interactions, waarin Nnederlandse contactcenters tegen het licht worden gehouden. Er wordt met name vastgesteld hoe tevreden de opdrachtgevers zijn over hun contactcenter. Daarbij wordt gekeken of externe contactcenters die zijn geoutsourced het beter doen dan de zogenaamde interne ‘eigen’ contactcenters. Ook worden externe of facilitaire contactcenters onderling vergeleken.
Met alle ophef die door Youp van ‘t Hek is aangezwengeld de afgelopen maanden, zullen klantcontactverantwoordelijken in de branche veel geleerd hebben en de klant centraal stellen, toch? Helaas laat de huidige praktijk een onthutsend beeld zien.
De theorie is mooi
Rond de presentatie van het onderzoek vertelde een aantal sprekers over hun visie op het vak. Zo liet Patrick Lerou van Philips zien hoe zijn organisatie met de Net Promoter Score intern veel meer aandacht voor de klant wil krijgen. Lerou toonde met een aansprekende afbeelding dat een tevreden klant niet altijd loyaal hoeft te zijn.
Egbert Jan van Bel liet zien dat het tegenwoordig gaat om superbrands met een positieve dialoog door een enthousiaste community. Daarbij moet niet het gebruiken van social media centraal staan, maar het socialiseren met je klant. Zaken als service leadership, customer experience en sociale impact worden meer van belang dan de traditionele waardedisciplinesketen. Daarin staat immers te vaak operational excellence centraal en teveel focus op efficiëncy kan de doodsteek zijn voor klantgericht werken. Hoe fout dat kan gaan, toont het onderzoek van TOTE-M.
Sturen op ouderwetse KPI’s
Het onderzoek van TOTE-M, gepresenteerd door Katja van Wel, liet zien dat er steeds meer gebruik wordt gemaakt van key performance indicatoren als de gemiddelde behandeltijd en het aantal doorverbindingen. Dat zijn indicatoren die met name op efficiency zijn gericht.
Klant-KPI’s als klanttevredenheid, klantbeleving, net promoter score of een probleem in één keer goed oplossen worden veel minder ingezet. Terwijl dat juist de KPI’s zijn die er voor zorgen dat de klant centraal wordt gesteld in het contact center. Ook modernere KPI’s als de selfservice ratio (hoe goed ondersteunt een organisatie de klant bij het zelf oplossen van z’n probleem) wordt nog verbazend weinig gebruikt om op te sturen.
Het traditionele ‘service level’ (hoe snel wordt de telefoon opgenomen) is nog steeds een veelgebruikte kpi, omdat veel contactcenter hier nog steeds problemen mee hebben. Hoewel dit eigenlijk een hygiënefactor zou moeten zijn, hebben veel organisaties dit nog steeds niet op orde.
Het ideaalbeeld is helder
Er is sprake van sturen op schijn-efficiency, aldus Annemiek van Moorst, founding partner van TOTE-M. Sturen op gemiddelde afhandeltijd is uiteindelijk juist heel duur. Eigenlijk zijn alle contacten te beschouwen als een klacht of een fout. Haar ervaring is dat zeker 80% van alle contacten in vrijwel alle contactcenters vermeden kunnen worden door alles in een keer goed te doen (First Time Right). Gaat er dan iets mis dan moet dat in het eerste contact meteen goed opgelost worden (First Contact Resolution) om herhaalverkeer te voorkomen (10-25% van het verkeer!). In eerste instantie moet je op het web zaken zelf kunnen oplossen als klant. Kom je er niet uit – en dat betekent dat de content op de website niet goed is – dan bel je. Ben je een digibeet – dat zijn er steeds minder – bel je direct.
De medewerker is direct eigenaar van deze case om die tot een goed einde brengen. Meting van First Contact Resolution moet over de gehele keten. De case op het web – mislukte selfservice – en de oplossing van de medewerker aan de telefoon worden teruggekoppeld in de organisatie. Procesfouten, contentfouten en ontbrekende kennis worden aangepast. Organisaties kunnen veel besparen in contact centers en tegelijkertijd de klanttevredenheid en NPS enorm verhogen. Vermijd waardeloze ontmoetingen – de klant haat ze – door op de juiste KPI’s te sturen. Als je dit beheerst, ben je goed in Operational Excellence en kun je je richten op het creëren van waardevolle ontmoetingen van klanten met organisaties.
Te sterke focus op efficiency en kosten
Al met al toont het onderzoek dat er in de contactcenters fundamentele misstanden zijn. Organisaties sturen nog steeds op traditionele KPI’s en zijn vooral gericht op operational excellence en schijnefficiency. Dat komt mede doordat opdrachtgevers die hun call center uitbesteden deze tak van sport vooral als kostenpost zien, waar zo efficiënt mogelijk moet worden gewerkt. Maar ook inhuis is het contact center nog steeds de unit waar gemakkelijk te besparen valt en waar medewerkers onder een aparte goedkopere CAO werken.
Wel investeren in marketing en social media, maar niet in je klantcontact
Het is raar dat organisaties nog steeds zo traditioneel kijken. Aan de ene kant spendeert de marketingafdeling miljoenen aan het zenden van boodschappen naar klanten die steeds minder luisteren. Aan de andere kant mopperen klanten massaal op internet en sociale media over de slechte dienstverlening (zoals Youp van ‘t Hek).
Organisaties investeren wel in het tracken van de buzz op social media, maar investeren vrijwel niet in het voorkomen van negatieve buzz, door hun contact center op orde te krijgen. Nog steeds wordt het contactcenter gezien als kostenpost waar efficiency voorop staat. Daarmee lopen organisaties grote risico’s, want de aantallen contacten in de contactcenters zijn enorm, het kan gaan om honderdduizenden contacten met consumenten per week.
Geld verbranden in plaats van loyaliteit opbouwen
Het is verbazingwekkend om te zien dat de klant vooral machinematig en efficiënt wordt ‘verwerkt’ in het contactcenter, terwijl juist zo’n contactmoment de uitgelezen kans is om je onderscheiden en een echt warme band met je klant te realiseren. Nog weinig organisaties zien hun contactcenter als een plek waar loyaliteit van klanten kan worden gerealiseerd en waar je je kunt onderscheiden van de concurrent. Natuurlijk wordt het voorbeeld van Zappos aangehaald, die hierin wel bijzondere zaken neerzet. Helaas blijft de Nederlandse praktijk nog ver achter bij de inspirerende marketingtheorie van de sprekers. Er is duidelijk nog een wereld te winnen in de contactcenters, zo laat het onderzoek van TOTE-M zien.
Voorlopig lijken contactcenters de plek waar organisaties systematisch de goodwill van klanten verliezen die ze met marketing en sociale media zo hard hebben opgebouwd. Het is nu in organisaties dweilen met de kraan open, of het verbranden van zuurverdiend geld. Daar kun je razend druk mee zijn maar handig is het niet. Welke organisatie gaat die werkwijze doorbreken en stelt z’n klanten echt centraal, ook in het contactcenter? Het is te hopen dat het onderzoek in 2012 een meer rooskleurig beeld van de branche laat zien en dat er dan niet alleen inspirerende marketingtheorie is te horen, maar dat er ook praktijkvoorbeelden zijn van contactcenters die het wel goed aanpakken. Alleen dan wordt klantgericht werken écht praktijk.
Bron: Wat organisaties met marketing en social media opbouwen, verliezen ze in contactcenter - Frankwatching
dinsdag 7 december 2010
Zorg dat je erbovenop zit met Google alerts
De laatste tijd heb ik vele malen de vraag gekregen wat ‘dat Sales 2.0’ dan precies is. En wat men zich dan daarbij moet voorstellen. Nu zal ik de vraag wat Sales 2.0 allemaal is later beantwoorden. Maar laat me beginnen met wat voorbeelden.
Zo zal ik de komende tijd wat voorbeelden gaan behandelen van ‘zaken’ die typisch Web 2.0 zijn en hoe en waarom deze toe te passen in sales. Vandaag: Google Alerts.Er wordt op Internet heel erg veel geschreven en gepubliceerd. Nu is het wel handig als je weet wanneer en iets over een bepaald onderwerp verschijnt. Bijvoorbeeld over ‘jezelf’ of over jouw bedrijf.
Google biedt de mogelijkheid van een alert service die automatisch in de gaten houdt of er iets wordt gepubliceerd op Internet dat aan jouw vooraf opgegeven criteria voldoet. Handig om zo in de gaten te houden of,wanneer, door wie en wat er over een bepaald onderwerp wordt gepubliceerd.
Zo kun je bijhouden wat er over jezelf wordt geschreven. Dat doe je door je eigen naam op te geven als criterium bij Google Alerts.
Maar zo kun je ook bijhouden wat er over jouw bedrijf en/of producten wordt geschreven. Of nog mooier: over je (potentiële) klanten!
Een Alert stel je heel simpel in via Google Alerts door de
Zo zal ik de komende tijd wat voorbeelden gaan behandelen van ‘zaken’ die typisch Web 2.0 zijn en hoe en waarom deze toe te passen in sales. Vandaag: Google Alerts.Er wordt op Internet heel erg veel geschreven en gepubliceerd. Nu is het wel handig als je weet wanneer en iets over een bepaald onderwerp verschijnt. Bijvoorbeeld over ‘jezelf’ of over jouw bedrijf.
Google biedt de mogelijkheid van een alert service die automatisch in de gaten houdt of er iets wordt gepubliceerd op Internet dat aan jouw vooraf opgegeven criteria voldoet. Handig om zo in de gaten te houden of,wanneer, door wie en wat er over een bepaald onderwerp wordt gepubliceerd.
Zo kun je bijhouden wat er over jezelf wordt geschreven. Dat doe je door je eigen naam op te geven als criterium bij Google Alerts.
Maar zo kun je ook bijhouden wat er over jouw bedrijf en/of producten wordt geschreven. Of nog mooier: over je (potentiële) klanten!
Een Alert stel je heel simpel in via Google Alerts door de
donderdag 2 december 2010
Uitvinding verandert papier in e-reader
30-11-2010
Onderzoekers van de Universiteit van Cincinnati werken aan techniek waardoor een velletje papier kan veranderen in een goedkope e-reader waarop ook bijvoorbeeld video’s kunnen worden afgespeeld.
Andrew Steckl legt de techniek uit aan Digitaltrends.com nadat een aantal media er vorige week over berichtte.
Met een techniek genaamd electrowetting wordt de houding van papier veranderd en kunnen bijvoorbeeld video’s op een simpel A4’tje worden afgespeeld. Bovendien kan het papier door elektriciteit ‘toe te voegen’ dezelfde functionaliteit krijgen als een e-reader.
Wegwerp e-reader
De techniek kan vooralsnog alleen gebruikt worden op glas, maar wanneer de ook papier door middel van electrowetting bewerkt kan worden, zou een simpel velletje papier dus een aantal dagen kunnen worden gebruikt als e-reader.
Wanneer de betreffende persoon klaar is met lezen of het papier begint te slijten, kan het velletje weggegooid worden omdat papier weinig kost, aldus de onderzoekers. Ook is het gebruik van papier milieuvriendelijker.
Goedkoop en uitgebreid
“Niets is beter geschikt om op te lezen dan papier”, vertelt Steckl tegenover Digitaltrends.com. “We hopen al tijden iets te ontwikkelen dat eruit ziet als papier, maar de functionaliteit heeft van een computer, zoals de mogelijkheid bestanden op te slaan.”
“De techniek waar wij nu mee bezig zijn, lijkt in de buurt te komen. Het zou erg goedkoop en snel zijn en kan bovendien gebruikmaken van kleur”, gaat de onderzoeker verder.
E-Ink
Volgens Steckl is de techniek tot tien keer sneller dan E-Ink, een techniek die gebruikt wordt in veel e-readers. Daarnaast zou het gemakkelijk zijn video’s af te spelen op papier via de techniek, iets waarmee producenten van e-readers vooralsnog worstelen.
De onderzoekers van de universiteit wijzen er echter wel op dat het nog drie tot vijf jaar kan duren voordat ‘e-paper’ beschikbaar zal zijn voor consumenten.
Van: onze NU-collega’s
Onderzoekers van de Universiteit van Cincinnati werken aan techniek waardoor een velletje papier kan veranderen in een goedkope e-reader waarop ook bijvoorbeeld video’s kunnen worden afgespeeld.
Andrew Steckl legt de techniek uit aan Digitaltrends.com nadat een aantal media er vorige week over berichtte.
Met een techniek genaamd electrowetting wordt de houding van papier veranderd en kunnen bijvoorbeeld video’s op een simpel A4’tje worden afgespeeld. Bovendien kan het papier door elektriciteit ‘toe te voegen’ dezelfde functionaliteit krijgen als een e-reader.
Wegwerp e-reader
De techniek kan vooralsnog alleen gebruikt worden op glas, maar wanneer de ook papier door middel van electrowetting bewerkt kan worden, zou een simpel velletje papier dus een aantal dagen kunnen worden gebruikt als e-reader.
Wanneer de betreffende persoon klaar is met lezen of het papier begint te slijten, kan het velletje weggegooid worden omdat papier weinig kost, aldus de onderzoekers. Ook is het gebruik van papier milieuvriendelijker.
Goedkoop en uitgebreid
“Niets is beter geschikt om op te lezen dan papier”, vertelt Steckl tegenover Digitaltrends.com. “We hopen al tijden iets te ontwikkelen dat eruit ziet als papier, maar de functionaliteit heeft van een computer, zoals de mogelijkheid bestanden op te slaan.”
“De techniek waar wij nu mee bezig zijn, lijkt in de buurt te komen. Het zou erg goedkoop en snel zijn en kan bovendien gebruikmaken van kleur”, gaat de onderzoeker verder.
E-Ink
Volgens Steckl is de techniek tot tien keer sneller dan E-Ink, een techniek die gebruikt wordt in veel e-readers. Daarnaast zou het gemakkelijk zijn video’s af te spelen op papier via de techniek, iets waarmee producenten van e-readers vooralsnog worstelen.
De onderzoekers van de universiteit wijzen er echter wel op dat het nog drie tot vijf jaar kan duren voordat ‘e-paper’ beschikbaar zal zijn voor consumenten.
Van: onze NU-collega’s
Rekening 'huilt' indien er niet wordt betaald
Uitgegeven: 30 november 2010 09:50
Laatst gewijzigd: 30 november 2010 09:49
BRUSSEL - Een Belgisch onlineplatform voor freelancers heeft een nieuwe methode ontwikkeld om wanbetalers eraan te herinneren hun rekeningen te betalen.
© Chris HeijmansMet behulp van speciale stickers kunnen ze ervoor zorgen dat hun herinneringsfacturen gaan 'huilen' zodra de ontvanger ze opent. Dat heeft het platform ikki.be dinsdag bekendgemaakt.
Freelancers die zich de komende weken op de website registreren, krijgen een aantal 'huilstickers' opgestuurd die ze op rekeningen kunnen plakken.
Volgens de freelancersorganisatie wordt slechts een op de drie rekeningen in België op tijd betaald.
Laatst gewijzigd: 30 november 2010 09:49
BRUSSEL - Een Belgisch onlineplatform voor freelancers heeft een nieuwe methode ontwikkeld om wanbetalers eraan te herinneren hun rekeningen te betalen.
© Chris HeijmansMet behulp van speciale stickers kunnen ze ervoor zorgen dat hun herinneringsfacturen gaan 'huilen' zodra de ontvanger ze opent. Dat heeft het platform ikki.be dinsdag bekendgemaakt.
Freelancers die zich de komende weken op de website registreren, krijgen een aantal 'huilstickers' opgestuurd die ze op rekeningen kunnen plakken.
Volgens de freelancersorganisatie wordt slechts een op de drie rekeningen in België op tijd betaald.
vrijdag 12 november 2010
ironische column Alexander Klopping over de trend die begon met de Durexonderzoekjes
Emerce column over geinige ANP onderzoekjes
Vroeger voerde ik nog wel eens actie voor het een of ander. Zo konden bezoekers op m’n protestsite FuckingIrritant.nl een petitie tekenen tegen het hardop afspelen van muziek in het openbaar vervoer. Ik stuurde dan een persbericht met ‘scholier’ of ‘student’ in de kop. Ik wist dat journalisten door die woorden getriggerd werden.De krant staat iedere dag vol met ‘geinige onderzoekjes’ (‘helft Nederlanders poetst tanden niet elke dag’). Ik vroeg me af hoe dit soort bullshit in de krant komt, en besloot een willekeurig onderzoeksbureau te bellen. Stel dat ik een onderzoekje wil doen, wat kost dat nou? De verkoper antwoordt en plakt er gelijk achteraan: “Ik zou 500 mensen laten ondervragen, want dat is het minimum dat het ANP hanteert.” Hij doelt op het spelletje dat iedereen kent die in de media- en PR-wereld werkt: je verzint een debiele onderzoeksvraag, laat 500 man antwoorden, en maakt een persberichtje waarin je de resultaten laat duiden door de directeur van je toko. Bij het ANP vreten ze het op, en journalisten zijn blij met een geinig onderzoekje.Toen Youp van ‘t Hek eind oktober een oorlog tegen T-Mobile begon onderzocht Buzzcapture (zo’n dertien in een dozijn bureautje dat sentimentanalyse onder reaguurders en Twitteraars doet) hoe de Duitse belboer besproken werd op internet. Onderzoeksresultaat: negatief (verrassend). Buzzcapture was echter slim genoeg om een persbericht eruit te doen te midden van een perfecte storm van inhakers.Het bedrijf schrijft dat “de vrolijke burgeroorlog van de twitterende cabaretier Youp van ‘t Hek een stevige impact heeft op het online sentiment rond T-Mobile”. Natuurlijk met een quote van de directeur: “Als wij ons beperken tot de sociale media komen we uit op een bedrag tussen de 200.000 en 300.000 euro reputatieschade”. Drie ton! Boem!Iedereen weet dat dat bedrag volledig uit de lucht gegrepen is. Bij Buzzcapture zelf weten ze dat eigenlijk ook wel, maar pogen ze het bedrag te verklaren met marketingpraat: het bedrag zou tot stand zijn gekomen met een “waardebepalingsmodel” voor “online buzz” waaraan een “impactfactor” wordt toegevoegd. Oftewel: bullshit.Maar dat maakt niets uit voor ‘s lands journaille. De ‘2 tot 3 ton reputatieschade’ dook overal in de media op, want welke journalist laat zich door de waarheid tegenhouden als hij kan schrijven over een geinig onderzoekje?Overweegt u zelf ook zo’n bericht? Vergeet dan vooral termen als ‘social media’ en ‘Twitter’ niet.Verscheen eerder hier.stukje opinie naar de mensen toe,
Vroeger voerde ik nog wel eens actie voor het een of ander. Zo konden bezoekers op m’n protestsite FuckingIrritant.nl een petitie tekenen tegen het hardop afspelen van muziek in het openbaar vervoer. Ik stuurde dan een persbericht met ‘scholier’ of ‘student’ in de kop. Ik wist dat journalisten door die woorden getriggerd werden.De krant staat iedere dag vol met ‘geinige onderzoekjes’ (‘helft Nederlanders poetst tanden niet elke dag’). Ik vroeg me af hoe dit soort bullshit in de krant komt, en besloot een willekeurig onderzoeksbureau te bellen. Stel dat ik een onderzoekje wil doen, wat kost dat nou? De verkoper antwoordt en plakt er gelijk achteraan: “Ik zou 500 mensen laten ondervragen, want dat is het minimum dat het ANP hanteert.” Hij doelt op het spelletje dat iedereen kent die in de media- en PR-wereld werkt: je verzint een debiele onderzoeksvraag, laat 500 man antwoorden, en maakt een persberichtje waarin je de resultaten laat duiden door de directeur van je toko. Bij het ANP vreten ze het op, en journalisten zijn blij met een geinig onderzoekje.Toen Youp van ‘t Hek eind oktober een oorlog tegen T-Mobile begon onderzocht Buzzcapture (zo’n dertien in een dozijn bureautje dat sentimentanalyse onder reaguurders en Twitteraars doet) hoe de Duitse belboer besproken werd op internet. Onderzoeksresultaat: negatief (verrassend). Buzzcapture was echter slim genoeg om een persbericht eruit te doen te midden van een perfecte storm van inhakers.Het bedrijf schrijft dat “de vrolijke burgeroorlog van de twitterende cabaretier Youp van ‘t Hek een stevige impact heeft op het online sentiment rond T-Mobile”. Natuurlijk met een quote van de directeur: “Als wij ons beperken tot de sociale media komen we uit op een bedrag tussen de 200.000 en 300.000 euro reputatieschade”. Drie ton! Boem!Iedereen weet dat dat bedrag volledig uit de lucht gegrepen is. Bij Buzzcapture zelf weten ze dat eigenlijk ook wel, maar pogen ze het bedrag te verklaren met marketingpraat: het bedrag zou tot stand zijn gekomen met een “waardebepalingsmodel” voor “online buzz” waaraan een “impactfactor” wordt toegevoegd. Oftewel: bullshit.Maar dat maakt niets uit voor ‘s lands journaille. De ‘2 tot 3 ton reputatieschade’ dook overal in de media op, want welke journalist laat zich door de waarheid tegenhouden als hij kan schrijven over een geinig onderzoekje?Overweegt u zelf ook zo’n bericht? Vergeet dan vooral termen als ‘social media’ en ‘Twitter’ niet.Verscheen eerder hier.stukje opinie naar de mensen toe,
woensdag 27 oktober 2010
Malcolm Gladwell legt zijn vinger op de zere plek
MARS VAN GRUNSVEN
reageer op dit artikel
Liever lui dan activist Sociale media Facebook en sociale verandering
Volgens Malcolm Gladwell zijn sociale media als Facebook en Twitter ontoereikend om sociale verandering te bewerkstelligen. Critici zeggen dat hij er niets van begrijpt.
DE BIJNA 1,3 MILJOEN Facebook-leden van de Save Darfur Coalition ontvingen vorige week allen een persoonlijke e-mail van George Clooney. De acteur was net teruggekeerd van een reis naar het door een burgerconflict geteisterde Soedan, waar hij samen met mensenrechtenactivist John Prendergast met journalisten en beleidsmakers had gesproken om 'de bewustwording te verhogen over het mogelijk massale geweld in de aanloop naar een referendum in Zuid-Soedan'. In het bericht verzoekt Clooney de geadresseerden om 'alsjeblieft een minuut te nemen om een brief te sturen aan president Obama'. De reeds opgestelde brief, die de aangeschreven activist slechts van naam en e-mailadres hoeft te voorzien alvorens hem met een muisklik te versturen, verzoekt de president 'er alles aan te doen om te voorkomen dat in Soedan een oorlog uitbreekt en om een einde te maken aan de crisis in Darfur'. De minuut waar Clooney om vraagt, is ruim genomen: een snelle typer is binnen twintig seconden klaar.
De moderne geëngageerde westerse burger krijgt dagelijks diverse elektronische verzoeken als het bovenstaande. Het heeft geleid tot een vorm van digitaal activisme die critici ook wel clicktivism of slacktivism noemen. Die laatste term, een samenvoeging van de woorden slacker (luilak) en activism, betekent zoveel als het ondersteunen van goede doelen of ageren tegen misstanden zonder daarvoor noemenswaardige inspanningen te hoeven leveren.
In cijfers ziet clicktivisme of slacktivisme er als volgt uit: tot nu toe hebben de 1,3 miljoen Facebook-leden van de Save Darfur Coalition gemiddeld negen dollarcent aan de organisatie gedoneerd. Geconfronteerd met dit niet bijzonder ruimhartige bedrag zei een woordvoerder van Save Darfur tegen het blad Newsweek: 'We baseren iemands waarde voor de beweging niet op de hoogte van donaties. Dit (het Facebook-platform - mvg) is een krachtig mechanisme om het kritische deel van de bevolking te engageren. Ze informeren hun gemeenschap, wonen evenementen bij, doen vrijwilligerswerk. Dat kun je niet meten door naar het kasboek te kijken.'
Dat deed New Yorker-criticus en bestsellerauteur Malcolm Gladwell smalen: 'Met andere woorden, Facebook-activisme is niet succesvol door mensen te motiveren om een echte opoffering te doen, maar door ze te motiveren dingen te doen die mensen doen als ze niet gemotiveerd genoeg zijn om een echte opoffering te doen.'
HET IS NIET de enige makke die het online activisme volgens Gladwell heeft, zo blijkt uit zijn recente, zeer kritische New Yorker-stuk 'Small Change: Why the Revolution Will Not Be Tweeted', waarin hij betoogt dat sociale media niet kunnen voorzien in wat altijd noodzakelijk is geweest om sociale verandering te bewerkstelligen. 'De wereld, zo wordt ons verteld, bevindt zich midden in een revolutie', schrijft Gladwell spottend. 'De nieuwe instrumenten van de sociale media hebben sociaal activisme heruitgevonden. Dankzij Facebook, Twitter en consorten is de traditionele relatie tussen politieke autoriteit en de wil van het volk overhoop gehaald, waardoor de machtelozen makkelijker kunnen samenwerken, coördineren en hun ongenoegen uiten.'
Ter illustratie van die boodschap halen de pleitbezorgers van de sociale media, die Gladwell vergoelijkend solipsisten noemt (mensen die bestaan bij de gratie van hun eigen gedachten), graag de anticommunistische protesten in de lente van 2009 in Moldavië aan - ook wel de Twitter-revolutie genoemd. Een ander veelgenoemd voorbeeld zijn de studentenprotesten later dat jaar in de Iraanse hoofdstad Teheran, die zonder Twitter niet zouden hebben kunnen plaatsvinden. Beide jubelverhalen zijn echter al lang door de werkelijkheid ingehaald, stelt Gladwell. Voor de Twitter-revolutie wijst hij erop dat er destijds nauwelijks Moldaviërs waren met een Twitter-account. Wat betreft de studentenprotesten in Teheran citeert hij de Iraanse journaliste Golnaz Esfandiari, die in Foreign Affairs schreef: 'Het wordt tijd om de rol van Twitter tijdens de gebeurtenissen in Iran recht te zetten. Simpel gezegd: er was geen Twitter-revolutie binnen Iran. Westerse journalisten die geen Iraniërs ter plaatse konden bereiken - of niet de moeite namen die te bereiken? - scrolden simpelweg door de Engelstalige tweets met de tag #iranelection. Onderwijl scheen niemand zich af te vragen waarom mensen die proberen protesten te coördineren in Iran dit in een andere taal zouden doen dan in Farsi.'
Allemaal grandioze grootspraak dus, zoals we dat in het verleden wel vaker hebben gezien wanneer nieuwe communicatiemiddelen hun opmars maakten. Hier citeert Gladwell de historicus Robert Darnton: 'De huidige wonderen van de communicatietechnologie hebben een vals bewustzijn van het verleden gecreëerd - zelfs een notie dat communicatie geen geschiedenis heeft, of van geen enkel belang was voor de komst van de televisie en het internet.'
Maar Gladwell ontwart nog iets in het te grote enthousiasme voor sociale media: we lijken in het Westen te zijn vergeten wat activisme is.
EEN AANSPREKEND voorbeeld van echt activisme vindt Gladwell in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Daarvoor neemt hij de lezer mee naar een koffiehuis in Greensboro, North-Carolina, februari 1960. Vier jonge zwarte studenten hebben plaatsgenomen in het voor blanken bestemde deel van het etablissement. De dapperste van de vier bestelt een kop koffie, en wordt prompt toegesnauwd: 'We bedienen hier geen negers.' Hoewel de situatie steeds dreigender wordt, blijven de vier tot sluitingstijd zitten. De dag erop zijn ze er weer, aangevuld met andere studenten. Nu beginnen de sit-ins zich te verspreiden naar omliggende steden, ondanks de arrestaties, bedreigingen en molestaties door de politie en blanke racisten van de Ku Klux Klan. En ondanks dit overduidelijke gevaar voor lijf en leden blijven meer sympathisanten zich aansluiten - waaronder ook blanken en activisten uit andere delen van het land. E-mail, sms, Facebook of Twitter komt er niet aan te pas.
Wat maakt mensen bereid een dergelijke vorm van activisme te bedrijven? Ideologische overtuiging is niet genoeg, zo concludeerde de Stanford-socioloog Doug Adams uit onderzoek naar risicovol activisme. Doorslaggevend zijn 'sterke onderlinge banden'. De vier studenten in het koffiehuis in Greensboro waren kamergenoten op hun universiteitscampus en hadden hun actie maandenlang voorbereid. De jongeman die als eerste een koffie durfde te bestellen, dankte zijn moed aan de aanwezigheid van zijn drie vrienden. Dit 'sterke-banden'-fenomeen zou een beginsel blijven gedurende de hele burgerrechtenstrijd: wie wilde deelnemen aan een actie of protest moest een lijst van contacten opgeven die al bij de beweging betrokken waren.
Een vergelijkbaar patroon zie je terug bij andere succesvolle bewegingen, schrijft Gladwell. Hij noemt de Rode Brigades in Italië in de jaren zeventig, waarvan zeventig procent van de rekruten al een goede vriend binnen de organisatie had, en de mannen die zich na de Russische inval in Afghanistan bij de moedjahedien aansloten. Zelfs spontaan lijkende revoluties, zoals de Oost-Duitse demonstraties die tot de val van de Berlijnse Muur leidden, kwamen voort uit sterke banden. Hoe meer vrienden men had die kritisch waren over het regime, des te waarschijnlijker was het dat men deelnam aan deze demonstraties.
De platforms die op sociale media als Facebook en Twitter ontstaan, zijn daarentegen opgebouwd rondom 'zwakke banden'. Twitter is immers een manier waarop je mensen kunt volgen (of jou kunt laten volgen) die je juist nooit hebt ontmoet, stelt Gladwell, terwijl Facebook vooral een handig instrument is voor wie op de hoogte wil blijven van het reilen en zeilen van de mensen van wie je dat anders niet zou weten. Vandaar ook dat je op Facebook makkelijk duizend 'vrienden' kunt hebben - iets wat in het echte leven simpelweg niet mogelijk is.
Het tweede belangrijke onderscheidende element dat Gladwell ziet tussen traditioneel activisme en de online variant is dat sociale-mediaplatforms netwerken zijn en derhalve geen hiërarchische structuur kennen, zoals de Amerikaanse burgerrechtenbeweging die bijvoorbeeld wel heel duidelijk had. Martin Luther King stond aan het hoofd, en zijn orders werden via de kerken verspreid. Netwerken hebben daarentegen grote moeite consensus te bereiken (zie ook het oneindig aanpassen van sommige Wikipedia-artikelen) en doelen vast te stellen. Dan wordt strategisch denken, een vereiste om een doel te bereiken, al helemaal lastig. Wat King nodig had in Birmingham, discipline en strategie, zijn dingen die online sociale media nu eenmaal niet kunnen bieden, aldus Gladwell.
Als uitsmijter heeft Gladwell nog enkele alinea's gereserveerd voor Clay Shirky, de New York University-hoogleraar die door velen gezien wordt als de meest gezaghebbende denker over sociale media, en diens boek Here Comes Everybody. Daarin vertelt Shirky een anekdote over ene Evan, een Wall Street-medewerker wiens vriendin haar Sidekick, een prijzige telefoon, in een taxi laat liggen. Als blijkt dat de vinder, een tienermeisje, niet bereid is de telefoon terug te geven, zet Evan een grootscheepse internetcampagne op. Die leidt er uiteindelijk toe dat de politie de vinder arresteert en Evans vriendin haar Sidekick terugkrijgt. Het voorbeeld illustreert volgens Shirky 'het gemak en de snelheid waarmee een groep online kan worden gemobiliseerd voor de goede zaak'. Volgens Gladwell bewijst Shirky vooral dat een wereld die aan elkaar hangt van netwerken en zwakke banden goed is in het helpen van Wall Streeters die hun telefoons willen terugkrijgen van tienermeisjes.
'ONLINE petitions are a sham', schreef Clay Johnson, een IT-specialist die gewerkt heeft voor de politieke campagnes van Howard Dean en Barack Obama, in augustus op zijn blog InfoVegan.com. Volgens Johnson is het de bureaus die de online petities opstellen voornamelijk te doen om e-mailadressen te bemachtigen en mensen op een bepaalde link te laten klikken. Zo wordt immers het geld verdiend.
De commentaren onder Johnsons blogpost waren furieus. Ze zijn echter niet afkomstig van verbouwereerde activisten, maar van e-consultants, reclamemakers, campagnestrategen en e-marketingspecialisten. Kortom, van mensen die hun brood verdienen met het stileren van online uitingen.
Het is de beroepsgroep die de Amerikaanse cultuurcriticus Lee Siegel zou scharen onder de noemer 'elektronische maffia'. Daarmee kreeg Siegel zelf te maken na de publicatie van zijn boek Against the Machine: Being Human in the Age of the Electronic Mob, waarin hij stelde dat 'het internet de westerse cultuur gedegradeerd heeft tot een populariteitscontest waar de middelmaat regeert'. In een interview met De Groene Amsterdammer zei Siegel: 'Er is veel geld in het internet geïnvesteerd, carrières zijn ervan afhankelijk. Wie de zegeningen van het internet in twijfel trekt, wordt weggehoond door de elektronische maffia.'
Weggehoond wordt Gladwell geenszins, maar kritiek op zijn essay krijgt hij wel degelijk. En niet alleen vanuit de te verwachten hoek -denk aan techbloggers als Jonah Lehrer en Alan Rosenblatt of de mensen van Salon.com en Wired.com -, maar even goed van hoogleraren journalistiek en trouwe New Yorker-lezers. Opmerkelijk daarbij is dat de meeste critici geen moeite doen Gladwells twee belangrijkste premisses te weerspreken: dat risicovol activisme sterke banden vereist en dat online netwerken niet over de vereiste hiërarchie beschikken. Daarin kan vrijwel iedereen zich vinden. Het grootste en meest genoemde bezwaar is dat Gladwell scherp onderscheid maakt tussen traditioneel en digitaal activisme, terwijl de twee types elkaar in werkelijkheid aanvullen en overlappen. Activisten, wat hun doel ook is, willen hun boodschap verspreiden en daarvoor gebruiken ze het effectiefste middel dat voorhanden is. Dat kan een stencil, een sit-in of een Facebook-groep zijn, of een combinatie van alle drie.
Daarnaast wordt Gladwell verweten dat hij domweg sociale media niet begrijpt - met als gevolg dat hij een nagenoeg irrelevant standpunt heeft ingenomen. Met een beetje meer kennis van hoe sociale media werken, had Gladwell wellicht geconcludeerd dat de sit-in in Greensboro met de hulp van digitale technologie nog effectiever had kunnen zijn. Zo hadden de zwarte studenten videobeelden van hun slechte behandeling via YouTube en Twitter in real time de hele wereld kunnen rondsturen. En had de befaamde busboycot van Montgomery met behulp van Twitter en geolocatie-technologie niet nog beter georganiseerd kunnen worden?
Wat resteert is Gladwells vaststelling dat we niet meer weten wat activisme is. Je zou ook kunnen vaststellen: we voelen ons in de westerse wereld niet meer geroepen tot risicovol activisme. De dringende noodzaak, zoals de schrijnende onrechtvaardigheid van de segregatie in het Amerika van voor de burgerrechtenbeweging, bestaat niet meer. Toch binden ook in het huidige Amerika elke dag activisten de strijd aan met de status-quo. Denk aan de milieubeweging, de food movement, de anticorporatisten. Zo toog een groep van zo'n 25 mensen op 15 augustus naar een vestiging van Target, de Amerikaanse variant van de Hema. Met band, zangers en dansers voerde de groep midden in de winkel het zelfgeschreven en gechoreografeerde nummer Target Ain't People uit - bij wijze van protest tegen het feit dat Target geld had gedoneerd aan een politicus met radicale antihomostandpunten. Het optreden van deze progressieve flashmob werd gefilmd en via Facebook, Twitter en YouTube verspreid. Voor wat het waard is: sindsdien hebben veel van mijn Brooklynse vrienden niet meer in Target gewinkeld.
HOE DAN OOK, zowel Gladwell als zijn critici lijken te begrijpen dat media nooit meer dan een middel kunnen zijn. Gladwells verdienste is dat hij overenthousiaste pleitbezorgers van sociale media voorhoudt: rustig aan, het is wat het is, meer niet. Siegel verwoordde dat mooi in het eerder aangehaalde Groene-interview: 'Media versterken slechts een cultuur die al bestaat. (...) Uiteindelijk biedt technologie geen oplossing voor de menselijke natuur; het is er slechts een versterking van.'
Dat dit mogelijk geen cultuur is waarin activisme de boventoon voert, toonde onlangs een vriendin van me onbedoeld aan. Op Facebook postte ze: 'Damn! Ongelooflijk... de kracht van het internet!' Daaronder had ze een link geplaatst naar een nieuwsartikel over kledingmerk Gap: dat bleek z'n nieuwe logo weer te hebben verruild voor het oude, nadat consumenten online massaal hun onvrede hadden geuit. 'We hebben de boodschap gehoord', verklaarde een Gap-woordvoerder. 'Voortaan zullen we eerst de online gemeenschap raadplegen.'
reageer op dit artikel
Liever lui dan activist Sociale media Facebook en sociale verandering
Volgens Malcolm Gladwell zijn sociale media als Facebook en Twitter ontoereikend om sociale verandering te bewerkstelligen. Critici zeggen dat hij er niets van begrijpt.
DE BIJNA 1,3 MILJOEN Facebook-leden van de Save Darfur Coalition ontvingen vorige week allen een persoonlijke e-mail van George Clooney. De acteur was net teruggekeerd van een reis naar het door een burgerconflict geteisterde Soedan, waar hij samen met mensenrechtenactivist John Prendergast met journalisten en beleidsmakers had gesproken om 'de bewustwording te verhogen over het mogelijk massale geweld in de aanloop naar een referendum in Zuid-Soedan'. In het bericht verzoekt Clooney de geadresseerden om 'alsjeblieft een minuut te nemen om een brief te sturen aan president Obama'. De reeds opgestelde brief, die de aangeschreven activist slechts van naam en e-mailadres hoeft te voorzien alvorens hem met een muisklik te versturen, verzoekt de president 'er alles aan te doen om te voorkomen dat in Soedan een oorlog uitbreekt en om een einde te maken aan de crisis in Darfur'. De minuut waar Clooney om vraagt, is ruim genomen: een snelle typer is binnen twintig seconden klaar.
De moderne geëngageerde westerse burger krijgt dagelijks diverse elektronische verzoeken als het bovenstaande. Het heeft geleid tot een vorm van digitaal activisme die critici ook wel clicktivism of slacktivism noemen. Die laatste term, een samenvoeging van de woorden slacker (luilak) en activism, betekent zoveel als het ondersteunen van goede doelen of ageren tegen misstanden zonder daarvoor noemenswaardige inspanningen te hoeven leveren.
In cijfers ziet clicktivisme of slacktivisme er als volgt uit: tot nu toe hebben de 1,3 miljoen Facebook-leden van de Save Darfur Coalition gemiddeld negen dollarcent aan de organisatie gedoneerd. Geconfronteerd met dit niet bijzonder ruimhartige bedrag zei een woordvoerder van Save Darfur tegen het blad Newsweek: 'We baseren iemands waarde voor de beweging niet op de hoogte van donaties. Dit (het Facebook-platform - mvg) is een krachtig mechanisme om het kritische deel van de bevolking te engageren. Ze informeren hun gemeenschap, wonen evenementen bij, doen vrijwilligerswerk. Dat kun je niet meten door naar het kasboek te kijken.'
Dat deed New Yorker-criticus en bestsellerauteur Malcolm Gladwell smalen: 'Met andere woorden, Facebook-activisme is niet succesvol door mensen te motiveren om een echte opoffering te doen, maar door ze te motiveren dingen te doen die mensen doen als ze niet gemotiveerd genoeg zijn om een echte opoffering te doen.'
HET IS NIET de enige makke die het online activisme volgens Gladwell heeft, zo blijkt uit zijn recente, zeer kritische New Yorker-stuk 'Small Change: Why the Revolution Will Not Be Tweeted', waarin hij betoogt dat sociale media niet kunnen voorzien in wat altijd noodzakelijk is geweest om sociale verandering te bewerkstelligen. 'De wereld, zo wordt ons verteld, bevindt zich midden in een revolutie', schrijft Gladwell spottend. 'De nieuwe instrumenten van de sociale media hebben sociaal activisme heruitgevonden. Dankzij Facebook, Twitter en consorten is de traditionele relatie tussen politieke autoriteit en de wil van het volk overhoop gehaald, waardoor de machtelozen makkelijker kunnen samenwerken, coördineren en hun ongenoegen uiten.'
Ter illustratie van die boodschap halen de pleitbezorgers van de sociale media, die Gladwell vergoelijkend solipsisten noemt (mensen die bestaan bij de gratie van hun eigen gedachten), graag de anticommunistische protesten in de lente van 2009 in Moldavië aan - ook wel de Twitter-revolutie genoemd. Een ander veelgenoemd voorbeeld zijn de studentenprotesten later dat jaar in de Iraanse hoofdstad Teheran, die zonder Twitter niet zouden hebben kunnen plaatsvinden. Beide jubelverhalen zijn echter al lang door de werkelijkheid ingehaald, stelt Gladwell. Voor de Twitter-revolutie wijst hij erop dat er destijds nauwelijks Moldaviërs waren met een Twitter-account. Wat betreft de studentenprotesten in Teheran citeert hij de Iraanse journaliste Golnaz Esfandiari, die in Foreign Affairs schreef: 'Het wordt tijd om de rol van Twitter tijdens de gebeurtenissen in Iran recht te zetten. Simpel gezegd: er was geen Twitter-revolutie binnen Iran. Westerse journalisten die geen Iraniërs ter plaatse konden bereiken - of niet de moeite namen die te bereiken? - scrolden simpelweg door de Engelstalige tweets met de tag #iranelection. Onderwijl scheen niemand zich af te vragen waarom mensen die proberen protesten te coördineren in Iran dit in een andere taal zouden doen dan in Farsi.'
Allemaal grandioze grootspraak dus, zoals we dat in het verleden wel vaker hebben gezien wanneer nieuwe communicatiemiddelen hun opmars maakten. Hier citeert Gladwell de historicus Robert Darnton: 'De huidige wonderen van de communicatietechnologie hebben een vals bewustzijn van het verleden gecreëerd - zelfs een notie dat communicatie geen geschiedenis heeft, of van geen enkel belang was voor de komst van de televisie en het internet.'
Maar Gladwell ontwart nog iets in het te grote enthousiasme voor sociale media: we lijken in het Westen te zijn vergeten wat activisme is.
EEN AANSPREKEND voorbeeld van echt activisme vindt Gladwell in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Daarvoor neemt hij de lezer mee naar een koffiehuis in Greensboro, North-Carolina, februari 1960. Vier jonge zwarte studenten hebben plaatsgenomen in het voor blanken bestemde deel van het etablissement. De dapperste van de vier bestelt een kop koffie, en wordt prompt toegesnauwd: 'We bedienen hier geen negers.' Hoewel de situatie steeds dreigender wordt, blijven de vier tot sluitingstijd zitten. De dag erop zijn ze er weer, aangevuld met andere studenten. Nu beginnen de sit-ins zich te verspreiden naar omliggende steden, ondanks de arrestaties, bedreigingen en molestaties door de politie en blanke racisten van de Ku Klux Klan. En ondanks dit overduidelijke gevaar voor lijf en leden blijven meer sympathisanten zich aansluiten - waaronder ook blanken en activisten uit andere delen van het land. E-mail, sms, Facebook of Twitter komt er niet aan te pas.
Wat maakt mensen bereid een dergelijke vorm van activisme te bedrijven? Ideologische overtuiging is niet genoeg, zo concludeerde de Stanford-socioloog Doug Adams uit onderzoek naar risicovol activisme. Doorslaggevend zijn 'sterke onderlinge banden'. De vier studenten in het koffiehuis in Greensboro waren kamergenoten op hun universiteitscampus en hadden hun actie maandenlang voorbereid. De jongeman die als eerste een koffie durfde te bestellen, dankte zijn moed aan de aanwezigheid van zijn drie vrienden. Dit 'sterke-banden'-fenomeen zou een beginsel blijven gedurende de hele burgerrechtenstrijd: wie wilde deelnemen aan een actie of protest moest een lijst van contacten opgeven die al bij de beweging betrokken waren.
Een vergelijkbaar patroon zie je terug bij andere succesvolle bewegingen, schrijft Gladwell. Hij noemt de Rode Brigades in Italië in de jaren zeventig, waarvan zeventig procent van de rekruten al een goede vriend binnen de organisatie had, en de mannen die zich na de Russische inval in Afghanistan bij de moedjahedien aansloten. Zelfs spontaan lijkende revoluties, zoals de Oost-Duitse demonstraties die tot de val van de Berlijnse Muur leidden, kwamen voort uit sterke banden. Hoe meer vrienden men had die kritisch waren over het regime, des te waarschijnlijker was het dat men deelnam aan deze demonstraties.
De platforms die op sociale media als Facebook en Twitter ontstaan, zijn daarentegen opgebouwd rondom 'zwakke banden'. Twitter is immers een manier waarop je mensen kunt volgen (of jou kunt laten volgen) die je juist nooit hebt ontmoet, stelt Gladwell, terwijl Facebook vooral een handig instrument is voor wie op de hoogte wil blijven van het reilen en zeilen van de mensen van wie je dat anders niet zou weten. Vandaar ook dat je op Facebook makkelijk duizend 'vrienden' kunt hebben - iets wat in het echte leven simpelweg niet mogelijk is.
Het tweede belangrijke onderscheidende element dat Gladwell ziet tussen traditioneel activisme en de online variant is dat sociale-mediaplatforms netwerken zijn en derhalve geen hiërarchische structuur kennen, zoals de Amerikaanse burgerrechtenbeweging die bijvoorbeeld wel heel duidelijk had. Martin Luther King stond aan het hoofd, en zijn orders werden via de kerken verspreid. Netwerken hebben daarentegen grote moeite consensus te bereiken (zie ook het oneindig aanpassen van sommige Wikipedia-artikelen) en doelen vast te stellen. Dan wordt strategisch denken, een vereiste om een doel te bereiken, al helemaal lastig. Wat King nodig had in Birmingham, discipline en strategie, zijn dingen die online sociale media nu eenmaal niet kunnen bieden, aldus Gladwell.
Als uitsmijter heeft Gladwell nog enkele alinea's gereserveerd voor Clay Shirky, de New York University-hoogleraar die door velen gezien wordt als de meest gezaghebbende denker over sociale media, en diens boek Here Comes Everybody. Daarin vertelt Shirky een anekdote over ene Evan, een Wall Street-medewerker wiens vriendin haar Sidekick, een prijzige telefoon, in een taxi laat liggen. Als blijkt dat de vinder, een tienermeisje, niet bereid is de telefoon terug te geven, zet Evan een grootscheepse internetcampagne op. Die leidt er uiteindelijk toe dat de politie de vinder arresteert en Evans vriendin haar Sidekick terugkrijgt. Het voorbeeld illustreert volgens Shirky 'het gemak en de snelheid waarmee een groep online kan worden gemobiliseerd voor de goede zaak'. Volgens Gladwell bewijst Shirky vooral dat een wereld die aan elkaar hangt van netwerken en zwakke banden goed is in het helpen van Wall Streeters die hun telefoons willen terugkrijgen van tienermeisjes.
'ONLINE petitions are a sham', schreef Clay Johnson, een IT-specialist die gewerkt heeft voor de politieke campagnes van Howard Dean en Barack Obama, in augustus op zijn blog InfoVegan.com. Volgens Johnson is het de bureaus die de online petities opstellen voornamelijk te doen om e-mailadressen te bemachtigen en mensen op een bepaalde link te laten klikken. Zo wordt immers het geld verdiend.
De commentaren onder Johnsons blogpost waren furieus. Ze zijn echter niet afkomstig van verbouwereerde activisten, maar van e-consultants, reclamemakers, campagnestrategen en e-marketingspecialisten. Kortom, van mensen die hun brood verdienen met het stileren van online uitingen.
Het is de beroepsgroep die de Amerikaanse cultuurcriticus Lee Siegel zou scharen onder de noemer 'elektronische maffia'. Daarmee kreeg Siegel zelf te maken na de publicatie van zijn boek Against the Machine: Being Human in the Age of the Electronic Mob, waarin hij stelde dat 'het internet de westerse cultuur gedegradeerd heeft tot een populariteitscontest waar de middelmaat regeert'. In een interview met De Groene Amsterdammer zei Siegel: 'Er is veel geld in het internet geïnvesteerd, carrières zijn ervan afhankelijk. Wie de zegeningen van het internet in twijfel trekt, wordt weggehoond door de elektronische maffia.'
Weggehoond wordt Gladwell geenszins, maar kritiek op zijn essay krijgt hij wel degelijk. En niet alleen vanuit de te verwachten hoek -denk aan techbloggers als Jonah Lehrer en Alan Rosenblatt of de mensen van Salon.com en Wired.com -, maar even goed van hoogleraren journalistiek en trouwe New Yorker-lezers. Opmerkelijk daarbij is dat de meeste critici geen moeite doen Gladwells twee belangrijkste premisses te weerspreken: dat risicovol activisme sterke banden vereist en dat online netwerken niet over de vereiste hiërarchie beschikken. Daarin kan vrijwel iedereen zich vinden. Het grootste en meest genoemde bezwaar is dat Gladwell scherp onderscheid maakt tussen traditioneel en digitaal activisme, terwijl de twee types elkaar in werkelijkheid aanvullen en overlappen. Activisten, wat hun doel ook is, willen hun boodschap verspreiden en daarvoor gebruiken ze het effectiefste middel dat voorhanden is. Dat kan een stencil, een sit-in of een Facebook-groep zijn, of een combinatie van alle drie.
Daarnaast wordt Gladwell verweten dat hij domweg sociale media niet begrijpt - met als gevolg dat hij een nagenoeg irrelevant standpunt heeft ingenomen. Met een beetje meer kennis van hoe sociale media werken, had Gladwell wellicht geconcludeerd dat de sit-in in Greensboro met de hulp van digitale technologie nog effectiever had kunnen zijn. Zo hadden de zwarte studenten videobeelden van hun slechte behandeling via YouTube en Twitter in real time de hele wereld kunnen rondsturen. En had de befaamde busboycot van Montgomery met behulp van Twitter en geolocatie-technologie niet nog beter georganiseerd kunnen worden?
Wat resteert is Gladwells vaststelling dat we niet meer weten wat activisme is. Je zou ook kunnen vaststellen: we voelen ons in de westerse wereld niet meer geroepen tot risicovol activisme. De dringende noodzaak, zoals de schrijnende onrechtvaardigheid van de segregatie in het Amerika van voor de burgerrechtenbeweging, bestaat niet meer. Toch binden ook in het huidige Amerika elke dag activisten de strijd aan met de status-quo. Denk aan de milieubeweging, de food movement, de anticorporatisten. Zo toog een groep van zo'n 25 mensen op 15 augustus naar een vestiging van Target, de Amerikaanse variant van de Hema. Met band, zangers en dansers voerde de groep midden in de winkel het zelfgeschreven en gechoreografeerde nummer Target Ain't People uit - bij wijze van protest tegen het feit dat Target geld had gedoneerd aan een politicus met radicale antihomostandpunten. Het optreden van deze progressieve flashmob werd gefilmd en via Facebook, Twitter en YouTube verspreid. Voor wat het waard is: sindsdien hebben veel van mijn Brooklynse vrienden niet meer in Target gewinkeld.
HOE DAN OOK, zowel Gladwell als zijn critici lijken te begrijpen dat media nooit meer dan een middel kunnen zijn. Gladwells verdienste is dat hij overenthousiaste pleitbezorgers van sociale media voorhoudt: rustig aan, het is wat het is, meer niet. Siegel verwoordde dat mooi in het eerder aangehaalde Groene-interview: 'Media versterken slechts een cultuur die al bestaat. (...) Uiteindelijk biedt technologie geen oplossing voor de menselijke natuur; het is er slechts een versterking van.'
Dat dit mogelijk geen cultuur is waarin activisme de boventoon voert, toonde onlangs een vriendin van me onbedoeld aan. Op Facebook postte ze: 'Damn! Ongelooflijk... de kracht van het internet!' Daaronder had ze een link geplaatst naar een nieuwsartikel over kledingmerk Gap: dat bleek z'n nieuwe logo weer te hebben verruild voor het oude, nadat consumenten online massaal hun onvrede hadden geuit. 'We hebben de boodschap gehoord', verklaarde een Gap-woordvoerder. 'Voortaan zullen we eerst de online gemeenschap raadplegen.'
zondag 24 oktober 2010
How Much Is a Share on Facebook or Twitter Worth in Sales?
by Matt Rhodes on 23 October, 2010 - 13:57
Every time people share an event from Eventbrite with their friends and contacts in social media or by email, they generate $1.78 in ticket sales. This figure comes from a recent study by the event ticketing site which analysed their user data and how shares in social media and by email tracked back to ticket sales. This is a surprisingly powerful number and shows the growing importance of social shopping – using recommendations in social networks and online communities to influence purchase decisions.
Every time people share an event from Eventbrite with their friends and contacts in social media or by email, they generate $1.78 in ticket sales. This figure comes from a recent study by the event ticketing site which analysed their user data and how shares in social media and by email tracked back to ticket sales. This is a surprisingly powerful number and shows the growing importance of social shopping – using recommendations in social networks and online communities to influence purchase decisions.
woensdag 20 oktober 2010
We hadden al 'sleutelkinderen' binnenkort: snelwegkinderen
Zelfsturende auto is geschikt voor zevenjarige
Uitgegeven: 19 oktober 2010 17:29
Laatst gewijzigd: 19 oktober 2010 17:29
AMSTERDAM - Ontwerper John Bukasa heeft een conceptwagen bedacht die de familie-auto van de toekomst moet voorstellen. 'The Guardian' heeft veiligheid voorop staan en rijdt volledig zelfstandig.
Het idee achter de wagen, die te zien is op afbeeldingen, is dat ouders er een zevenjarig kind alleen in kunnen laten reizen. Doordat de auto zelf rijdt, kan iedereen in elke toestand veilig getransporteerd worden. Het ontwerp heeft wat weg van de Autonomobile, een zelfsturende conceptwagen van het Amerikaans-Nederlands designduo Mike & Maaike.
De auto kan volgens Yanko Design dankzij speciale wielen alle kanten opdraaien, wat de wagen een zogenomemde 'draaislag' geeft van nul graden. Het is tegelijkertijd de reden waarom de auto geen duidelijke voor- of achterkant heeft. Door dit design en het feit dat het exterieur voornamelijk uit glas bestaat, heeft de chauffeur ook nagenoeg geen last van een dode hoek.
Vermaak
Het interieur bestaat uit zeven zitplaatsen over de lengte: vier voor volwassenen en drie voor kinderen. In het midden staat een multitouch-scherm dat passagiers vermaak kan bieden in de vorm van films en games.
De auto besturen gaat via eenvoudige knoppen. Zo is een druk op 'home' genoeg om de auto naar huis te laten rijden en zorgt integratie met de mobiele telefoon voor de mogelijkheid te reizen naar de verblijfslocaties van contactpersonen.
Toekomst
Zoals bijna elke conceptcar, houdt ook The Guardian rekening met het milieu. In de wielen zitten elektrische motoren die draaien op lithium-batterijen. Het idee van Bukasa is dat de auto rijdt op zowel netstroom als zonne-energie.
De toekomstvisie van de ontwerper zou wel eens werkelijkheid kunnen worden. Sinds de videobeelden van zelfsturende auto's van Google en van de Freie Universität, lijkt deze ontwikkeling de vraag alleen maar te stimuleren.
Uitgegeven: 19 oktober 2010 17:29
Laatst gewijzigd: 19 oktober 2010 17:29
AMSTERDAM - Ontwerper John Bukasa heeft een conceptwagen bedacht die de familie-auto van de toekomst moet voorstellen. 'The Guardian' heeft veiligheid voorop staan en rijdt volledig zelfstandig.
Het idee achter de wagen, die te zien is op afbeeldingen, is dat ouders er een zevenjarig kind alleen in kunnen laten reizen. Doordat de auto zelf rijdt, kan iedereen in elke toestand veilig getransporteerd worden. Het ontwerp heeft wat weg van de Autonomobile, een zelfsturende conceptwagen van het Amerikaans-Nederlands designduo Mike & Maaike.
De auto kan volgens Yanko Design dankzij speciale wielen alle kanten opdraaien, wat de wagen een zogenomemde 'draaislag' geeft van nul graden. Het is tegelijkertijd de reden waarom de auto geen duidelijke voor- of achterkant heeft. Door dit design en het feit dat het exterieur voornamelijk uit glas bestaat, heeft de chauffeur ook nagenoeg geen last van een dode hoek.
Vermaak
Het interieur bestaat uit zeven zitplaatsen over de lengte: vier voor volwassenen en drie voor kinderen. In het midden staat een multitouch-scherm dat passagiers vermaak kan bieden in de vorm van films en games.
De auto besturen gaat via eenvoudige knoppen. Zo is een druk op 'home' genoeg om de auto naar huis te laten rijden en zorgt integratie met de mobiele telefoon voor de mogelijkheid te reizen naar de verblijfslocaties van contactpersonen.
Toekomst
Zoals bijna elke conceptcar, houdt ook The Guardian rekening met het milieu. In de wielen zitten elektrische motoren die draaien op lithium-batterijen. Het idee van Bukasa is dat de auto rijdt op zowel netstroom als zonne-energie.
De toekomstvisie van de ontwerper zou wel eens werkelijkheid kunnen worden. Sinds de videobeelden van zelfsturende auto's van Google en van de Freie Universität, lijkt deze ontwikkeling de vraag alleen maar te stimuleren.
vrijdag 8 oktober 2010
Interactieve etalage Diesel in Bijenkorf
vrijdag 8 oktober 2010, 9:00
Diesel komt met een interactieve etalage in de Bijenkorf waarbij gebruik wordt gemaakt van thermal imaging.
Bij thermal imaging ontstaan beelden door warmte die vrijkomt. In de Bijenkorf op de hoek bij de Dam, heeft Diesel een spiegel geplaatst die van nog tot 17 oktober te zien is. De spiegel zet de lichaamswarmte van de persoon die ervoor staat om in energie.
Het concept is tot stand gekomen in samenwerking met ChampagneValentine. Diesel staat hierbij letterlijk voor energie (Diesel turns energy into power). De lichaamswarmte van mensen wordt getransformeerd op het scherm, waarbij graphics, sparks en ontbranding toegepast worden. Voorbijgangers worden uitgenodigd om te spelen met hun eigen energie en te kijken naar hoe deze persoonlijke energie zich omzet in beeld.
Naast dit scherm, is er in de etalage een kunstwerk gebouwd, waarbij honderden objecten versmolten zijn en vanuit de diepte naar het licht toe rijzen. Het gaat om objecten zoals speelgoedautootjes, kandelaars, dancing shiva’s, tafeltjes, poppen, bloemen en de eigen producten van Diesel. Dit alles is bedekt met een zilveren coating, die het licht van het scherm weerkaatst. Op de eerste etage van de Bijenkorf (op de Diesel mannenafdeling) is hiervan meer te zien.
Diesel komt met een interactieve etalage in de Bijenkorf waarbij gebruik wordt gemaakt van thermal imaging.
Bij thermal imaging ontstaan beelden door warmte die vrijkomt. In de Bijenkorf op de hoek bij de Dam, heeft Diesel een spiegel geplaatst die van nog tot 17 oktober te zien is. De spiegel zet de lichaamswarmte van de persoon die ervoor staat om in energie.
Het concept is tot stand gekomen in samenwerking met ChampagneValentine. Diesel staat hierbij letterlijk voor energie (Diesel turns energy into power). De lichaamswarmte van mensen wordt getransformeerd op het scherm, waarbij graphics, sparks en ontbranding toegepast worden. Voorbijgangers worden uitgenodigd om te spelen met hun eigen energie en te kijken naar hoe deze persoonlijke energie zich omzet in beeld.
Naast dit scherm, is er in de etalage een kunstwerk gebouwd, waarbij honderden objecten versmolten zijn en vanuit de diepte naar het licht toe rijzen. Het gaat om objecten zoals speelgoedautootjes, kandelaars, dancing shiva’s, tafeltjes, poppen, bloemen en de eigen producten van Diesel. Dit alles is bedekt met een zilveren coating, die het licht van het scherm weerkaatst. Op de eerste etage van de Bijenkorf (op de Diesel mannenafdeling) is hiervan meer te zien.
dinsdag 31 augustus 2010
Backt to the future met Yahoo? zoekmachine voorspelt' de toekomst
Zoekmachine van Yahoo 'voorspelt' de toekomst
Uitgegeven: 30 augustus 2010 15:41
Laatst gewijzigd: 30 augustus 2010 15:41
AMSTERDAM - Een experimentele zoekmachine van internetgigant Yahoo voorspelt de toekomst. De site doorzoekt een archief met artikelen uit de New York Times op uitspraken over de jaren die voor ons liggen.
© Novum
Time Explorer baseert zich op ruim 1,8 miljoen artikelen van de New York Times uit de periode 1987 tot 2007. De artikelen, waarvan de voorspellingen door middel van jaartallen terug te vinden zijn, geeft Time Explorer in een tijdslijn weer.
Zo zijn voorspellingen uit het verleden terug te vinden om na te gaan of ze zijn uitgekomen, maar kan ook worden bekeken hoe nu over toekomstige ontwikkelingen wordt gedacht.
Twitter
Eerder werd al de start-up Recorded Future gelanceerd, die vergelijkbaar is met Time Explorer. Recorded Future scant informatie afkomstig van duizenden websites, blogs en Twitter-accounts. Het Yahoo-onderzoeksteam in Barcelona gaat ook andere bronnen aan de zoekmachine toevoegen.
Uitgegeven: 30 augustus 2010 15:41
Laatst gewijzigd: 30 augustus 2010 15:41
AMSTERDAM - Een experimentele zoekmachine van internetgigant Yahoo voorspelt de toekomst. De site doorzoekt een archief met artikelen uit de New York Times op uitspraken over de jaren die voor ons liggen.
© Novum
Time Explorer baseert zich op ruim 1,8 miljoen artikelen van de New York Times uit de periode 1987 tot 2007. De artikelen, waarvan de voorspellingen door middel van jaartallen terug te vinden zijn, geeft Time Explorer in een tijdslijn weer.
Zo zijn voorspellingen uit het verleden terug te vinden om na te gaan of ze zijn uitgekomen, maar kan ook worden bekeken hoe nu over toekomstige ontwikkelingen wordt gedacht.
Eerder werd al de start-up Recorded Future gelanceerd, die vergelijkbaar is met Time Explorer. Recorded Future scant informatie afkomstig van duizenden websites, blogs en Twitter-accounts. Het Yahoo-onderzoeksteam in Barcelona gaat ook andere bronnen aan de zoekmachine toevoegen.
Abonneren op:
Berichten (Atom)





